|
MOLENCONVENANT

Inleiding
De provincie Limburg telt zowel
watermolens als windmolens, waarvan er in totaal aan het eind van de 19e
eeuw 264 in bedrijf waren. De watermolens zijn het meest typerend voor het
Limburgse landschap. In de laatste 150 jaar zijn er in de provincie meer
watermolens dan windmolens geweest. De vele beken, die dankzij de
geaccidenteerde bodem een groot verval kennen, hebben de bouw van watermolens
sterk bevorderd. In de twintigste eeuw is de afname van het aantal watermolens
geleidelijk verlopen, vooral als gevolg van de invoering van omvangrijke
ruilverkavelingsprojecten en veranderingen in het landbouwbedrijf. De beken
waarop de molens werkten werden gekanaliseerd. Exploitatie van deze molens werd
op deze manier praktisch onmogelijk gemaakt. Van de 131 watermolens die Limburg
in 1920 telde zijn er nog maar 48 over.
Een concentratie van windmolens
is te vinden in Noord- en Midden-Limburg. In de tweede helft van de negentiende
eeuw nam het aantal windmolens sterk toe (van 62 naar 142). De karakteristieke
Limburgse standaardmolen werd in deze periode steeds meer verdrongen door het
bovenkruiertype. Deze laatste was praktischer in de bedrijfsvoering en eiste
minder onderhoud. De terugloop van het aantal windmolens was veel abrupter dan
die van watermolens. Dit was vooral het gevolg van de oorlogshandelingen
gedurende de periode 1940-1945 en de voortschrijdende industrialisering. Op dit
moment telt de provincie Limburg nog 40 windmolens.
Daarnaast zijn er in Limburg
nog 71 restanten van molens bekend.
Het aantal molens dat momenteel
op het grondgebied van de gemeente Weert ligt past in het geschetste beeld,
namelijk: een watermolen, acht windmolens, waarvan vier windmolens eigendom zijn
van de gemeente, en een molenromp. Daarmee heeft Weert meer dan 10% van de
molens in de provincie Limburg binnen haar gemeentegrenzen.
Aanleiding voor dit
convenant
De complete molens in Weert
zijn allemaal als rijksmonument aangewezen. De molens worden derhalve in de
eerste plaats beschermd door de Monumentenwet. De molenromp van de Boonesmolen
is onlangs aangewezen als gemeentelijk monument.
Tijdens onderhandelingen met de
Molenstichting Limburg (MSL) over de bouwhoogten in het gebied Centrum Noord is
door de MSL de wens geuit om naast bescherming van de molen zelf te komen tot
een algehele eenmalige en eenduidige regeling om de windvang van de molens in
Weert veilig te stellen. Voldoende windvang is immers essentieel voor het behoud
van de molens. Daarnaast zijn een voldoende watertoevoer en het waterrecht van
groot belang voor het functioneren van watermolens. Verder heeft de MSL ervoor
gepleit om ook betere kaders te scheppen voor onderhoud en restauratie van
molens en om het beheer en de exploitatie van de gemeentelijke molens onder te
brengen bij een stichting. De Molenstichting Weerterland (MSW) is hiertoe
inmiddels opgericht door oudheidkundige kring de Aldenborgh te Weert.
De hierna te noemen
partijen:
De Molenstichting Limburg, te
dezer rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer P. Willekens, voorzitter, en
mevr. B. Jongerius, secretaris,
De Molenstichting Weerterland,
te dezer rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer H. Steeghs, voorzitter, en
de heer F. Weerts, secretaris,
De gemeente Weert, te dezer
rechtsgeldig vertegenwoordigd door de wethouder van ondermeer cultuur en
monumentenzorg de heer H. Coolen,
Nog uit te breiden met de
overige moleneigenaren die de uitgangspunten van dit convenant onderschrijven,
komen als volgt overeen:
1.
Molenbiotopen
Ter waarborging van de windvang
en het zicht op de molen zijn molenbiotopen vastgesteld. De molenbiotoop betreft
het gebied rondom de molen dat beschermd wordt tegen het oprichten van bebouwing
en beplanting in verband met de windvang en het zicht op de molen. De
molenbiotopen worden berekend aan de hand van de hiervoor geldende formule,
zoals opgenomen in de ´Handleiding Molenbiotoop’ (bron: Vereniging De
Hollandsche Molen, Amsterdam, november 1995). Hierin wordt onderscheid gemaakt
in open, ruw en gesloten gebied. Voor watermolens gelden andere randvoorwaarden,
maar ook deze dienen niet in hun functioneren te worden belemmerd.
Teneinde de windvang veilig te
stellen ten aanzien van de molens is in nieuwe bestemmingsplannen een adequate
planologische regeling noodzakelijk. In het kader van de ´herziening verouderde
bestemmingsplannen´ waarmee de gemeente thans bezig is, worden de volgende
afspraken gemaakt:
a.
Volgens de
richtlijnen van de Vereniging De Hollandsche Molen, die landelijk hiervoor
worden gehanteerd, is voor iedere molen een biotoop vastgesteld, gebaseerd op
een zone met een straal van 500 meter rondom de molen. Binnen deze zone is een
maximale bouwhoogte toegestaan volgens de formule en is gebaseerd op twee
uitgangspunten:
1. H(max)
= (x/n) + c*z + NAP(maaiveld molen).
Waarbij geldt dat:
|
H(max): |
maximale hoogte bebouwing tov NAP (nok, dak, groen, etc.) |
|
x: |
afstand tot hart molen |
|
n: |
invloedsfactor terreingesteldheid (140 voor open terrein, 75 voor ruw en 50
voor gesloten gebied) |
|
c: |
constante voor windbeperking (uitgaande van de maximaal toelaatbare
windreductie van 5% is dit 0,2) |
|
z: |
askophoogte t.o.v. maaiveld molen |
|
NAP(maaiveld molen): |
hoogte
maaiveld molen tov NAP |
2. De
regel dat binnen een straal van 100 meter rondom de molen geen obstakels zijn
toegestaan boven de berg- of stellinghoogte.
b.
Deze
regeling wordt in elk bestemmingsplan opgenomen waarin molens voorkomen. Tevens
geldt een aanlegvergunningplicht voor de aanplant van hoogopgaand groen (hoger
dan 5 meter).
c.
Indien
bouwplannen met toepassing van procedures van de Wet ruimtelijke ordening worden
gerealiseerd, worden de daar geldende molenbiotoop en de daarbij behorende
bebouwingshoogtes in acht genomen.
d.
Van een
eventuele procedure voor een bouwplan gelegen binnen de molenbiotoop die de
maximaal toegestane bouwhoogte volgens de biotoopregels overschrijdt, zal het
voornemen kenbaar worden gemaakt aan de MSL en MSW, waarbij de gelegenheid wordt
geboden om binnen de daarvoor geldende termijn hun zienswijze kenbaar te maken.
e.
Indien en
zodra een bestemmingsplan in procedure wordt gebracht, wordt in geval in of
nabij het plan een molen is gelegen de aangegeven molenbiotoop met de daarbij
behorende voorschriften in het plan verwerkt. De commissie Cultuurhistorie
toetst of dit correct gebeurd is. Bij afwijking hiervan worden MSL en MSW
ingelicht, waarbij gewezen zal worden op de mogelijkheid om zienswijzen in te
dienen.
f.
In
overige voorkomende gevallen zal, als daar voor een van de partijen aanleiding
voor is, overleg worden gevoerd.
g.
Uiterlijk
een jaar na afsluiting van dit convenant wordt een nulmeting verricht
betreffende de molenbiotopen. Jaarlijks worden de ontwikkelingen hieromtrent met
de convenantpartners besproken.
2.
Bevordering
van het vaker draaien van molens
Molens behoren te draaien en
waar mogelijk te malen, ook in de gemeente Weert. De convenantpartners hebben
een inspanningsverplichting ten aanzien van de volgende punten:
a.
Het behoud
en onderhoud van de molens in Weert als cultureel erfgoed van Weert,
b.
Het zo veel
als mogelijk laten draaien van de molens en voor publiek toegankelijk houden of
maken,
c.
De molens
zo veel mogelijk te laten malen,
d.
Het belang
van molens breed onder de aandacht te brengen en
e.
Te
bevorderen dat molens een meerwaarde kunnen zijn voor de verschillende
cultuurhistorische projecten in Weert.
Aldus overeengekomen en
getekend op 12 december 2008 te Weert
Molenstichting Limburg
De secretaris
De voorzitter
Molenstichting Weerterland
De
secretaris De voorzitter
Gemeente Weert
De wethouder

|