|
TIJDENS EEN ZWARE STORM
KROOP HIJ EENS IN DE KAP
VAN DE MOLEN
Routinematig klopt vrijwillig molenaar
Geert van Winkel (62) uit Ospel even op de barometer die in molen De Korenbloem
hangt. Ook werpt hij een korte blik naar buiten door een raam van de molen. “De
komende dagen houden we dit weer”, stelt hij vast. “Vrij rustig en eigenlijk wat
te weinig wind om te kunnen draaien..”

Geert van Winkel (62) woont al 35 jaar
tegenover molen De Korenbloem aan de rand van de dorpskern van Ospel. Een molen
waar hij ruim dertig jaar nauwelijks naar heeft omgekeken. De laatste paar jaar
is Van Winkel echter nauwelijks meer bij de Korenbloem weg te slaan. Bijna ieder
vrij ogenblik gebruikt de voormalige werktuigbouwkundige om de molen te laten
draaien. En als er te weinig wind staat, is het druk met klussen. Afgelopen mei
slaagde Van Winkel voor het examen voor het getuigschrift Vrijwillig Molenaar
van het Gilde van Vrijwillig Molenaars. Hij mag nu, als erkend vrijwillig
molenaar, op de Korenbloem en op alle andere door wind aangedreven molens in ons
land malen.
“Het is vrijwillig molenaar Gerie Feyen
geweest die me eigenlijk helemaal gek van molens heeft gemaakt. Gerie maalde
regelmatig op de Korenbloem. Zo kwam ik als overbuurman van de molen met hem aan
de praat. Gevolg was dat ik me steeds meer voor de molen ging interesseren. Voor
de molen als machine maar ook als monument en cultureel erfgoed. Toen ik wat
meer tijd tot mijn beschikking kreeg omdat ik in de VUT ging, besloot ik om de
opleiding voor vrijwilliger molenaar te gaan volgen. Je wilt je immers echt in
zo’n molen verdiepen. En als vrijwilliger op de molen draag je ook een grote
verantwoordelijkheid met je mee. Je werkt tenslotte met een monument, een stuk
historie van je dorp en cultureel erfgoed. Dat vereist dat je precies weet wat
je doet.”
De opleiding tot Vrijwillig Molenaar was
voor Van de Winkel, ondanks zijn technische achtergrond, beslist geen sinecure.
“Je krijgt met zaken te maken waarvan je vooraf weinig benul hebt. Zaken als
molentypes, de molenbiotoop, verschillende soorten molens, veiligheid en de
bediening van molens komen uitvoerig aan de orde. En natuurlijk heel veel over
het weer.”
De vrijwillig molenaar wijst daarbij op twee
dikke klappers vol cursusmateriaal. “Dat is allemaal de theorie. Maar bij deze
opleiding is de praktijk nog veel belangrijker. Twee keer per maand ging ik
tijdens de 2,5 jaar dat is de opleiding volgde bij molenaar Sjaak Nijs in
Stramproy een ochtend of middag aan de slag. Hij was mijn instructeur. Van hem
heb ik de kneepjes geleerd. Ondermeer dat je als molenaar één met de molen moet
worden. Dat is belangrijk want iedere molen is een individu. Molens hebben een
eigen wil, karakter. Je moet de molen voelen, ruiken, verstaan en begrijpen.
Alleen dan leer je ook met de molen te praten. Ik ben ooit tijdens een zware
storm met windkracht twaalf boven in de kapzolder van de Korenbloem gaan zitten
alleen om naar de geluiden te luisteren.”
Van Winkel doet er alles aan om zijn
belangstelling en misschien ook wat van zijn liefde voor de molens op het brede
publiek over te brengen. Met plezier nodigt hij mensen op de Korenbloem uit en
regelmatig organiseert hij activiteiten op en rond de molen. Zo regelde hij met
de organisatoren van de wandelvierdaagse van Nederweert dat het parcours van
deze vierdaagse werd verlegd. “Zodat de wandelaars langs de molen moesten
wandelen. Ik zorg dan dat de molen, als er voldoende wind staat, draait.”
Tros is de vrijwillig molenaar dat een
betrekkelijk kleine gemeenschap als Nederweert, met drie windmolens, liefst acht
mensen telt die een opleiding tot vrijwillig molenaar volgen. “Dat is de basis
voor het toekomstige behoud van de molens. Want molens moeten draaien. Dat kan
alleen als er voldoende vrijwillige molenaars zijn. Want het aantal molens met
een beroepsmolenaar zal verder afnemen”, vreest Van Winkel.
Plannen voor zijn Korenbloem heeft hij de
komende jaren nog in overvloed. Momenteel is hij bezig met de inrichting van een
klein winkeltje in de molenbelt. Ook wil hij het voegwerk van de molenromp eens
stevig onderhanden nemen en de omgeving van de molen moet nog worden aangekleed.
"Zo blijf je bezig maar dat is geen probleem. Want als de molen draait hoor je
het geluid van de wind in de zeilen, het kreunen van de assen en de balken, het
zingen van de stenen. Dan komt je molen tot leven. En ruik je dan de geur van
het vers gemalen graan; man dat is kicken.”
De opleiding tot
vrijwillig windmolenaar duurt gemiddeld 2 jaar afhankelijk van beschikbare tijd
en inzet. Voor de begeleiding bij het opdoen van praktische ervaring en
theoretische kennis kan de cursist terecht bij een instructeur die door het GVM
is aangesteld. Daarnaast kan men aanvullende ervaring en kennis opdoen bij
gediplomeerde vrijwillige molenaars op verschillende molentypes. Als na verloop
van tijd blijkt dat MEN aan de eisen voldoet, zal de instructeur de cursist
aanmelden voor het toelatingsexamen dat door het afdelingsbestuur van het GVM
wordt afgenomen. Voor deelname aan het toelatingsexamen dient men ten minste één
jaar in opleiding te zijn geweest . Tevens dient men minimaal 150 uur
praktijkervaring op een molen te hebben en minimaal 30 uren op een ander type
molen dan de instructiemolen. Om deel te kunnen nemen aan het examen moet men
bovendien ten minste 18 jaar oud zijn.
Levert het
toelatingsexamen geen problemen op, dan wordt de kandidaat voorgedragen voor het
landelijk examen, dat door de examencommissie van De Hollandsche Molen op een
windmolen wordt afgenomen. Wie voor het molenaarsexamen slaagt, ontvangt het
getuigschrift van De Hollandsche Molen. Een gediplomeerd vrijwillig molenaar kan
zelfstandig een molen bedienen.
 |